Openingspeech Het Grote Interviewgala 2011

De initiator van Het Grote Interviewgala in Stadsschouwburg Amsterdam en tevens ‘interviewer met staat van dienst’ trapte het evenement zelf af. Deze tekst sprak Frénk van der Linden woensdag 16 februari 2011 uit:

“Negentien was ik. Freelancer. Geen studiebeurs en geen cent steun van thuis; we hadden niet eens genoeg voor een krantenabonnement. Maar ik wilde journalist worden, met mensen praten over wat hen bewoog, contact. Hüsken was mijn eerste grote interview, gemaakt in opdracht van het Weekblad voor de Bollenstreek. Wie kent het niet. Van interviewen had ik geen verstand. Ik klungelde me zo’n beetje door de ontmoeting met de oude man heen. Gesloten vragen, suggestieve vragen, besides-the-point-vragen: het hele scala beginnersfouten. Maar ik had geluk: hij grossierde in anekdotes en boutades. ‘Het kwaad van de maatschappij is de hakkenbar’: het is nog altijd mijn favoriete kop.

Zo makkelijk als het was om Hüsken aan het praten te krijgen, zo moeilijk is het om Adriaan van Dis te bewegen tot ware openheid. Hij weet precies waar interviewers van uit zijn, voor de 99e keer het verhaal over die onbereikbare vrouw, zijn gefnuikte liefde. Veel liever speldt Van Dis je een paar mooie verhalen over andere onderwerpen op de Mouw. Maar Steffie Kouters van de Volkskrant bleef enkele jaren terug kalm doorvragen. ‘Dit lijkt me diep genoeg geboord’, zei Van Dis. ‘Einde interview.’ Toch kreeg ze hem los. Over zijn zelfhaat, over zijn perverse trekken, over een kwart eeuw in therapie, over de angst niet te bestaan in de ogen van anderen en zijn pogingen dat alles te bezweren in romans. God, wat een mooi vraaggesprek. Inlijsten, zou ik zeggen, en in elke School voor de Journalistiek hangen.

Wie zijn wij? Hoe zijn we zo gewórden? Waarom leven wij? Hóe leven wij? Wanneer twee mensen elkaar ontmoeten en het tot een interview komt (desnoods over het buitenlandbeleid van Burkina Fasso, over Nigel de Jongs krankzinnige karatetrap, of over een Coquilles Saint Jacques-gerecht van Ad Melkert) resoneren die grote vragen altijd mee. Waarheen, waarvoor – om met de grote Filosofe Mieke Telkamp te spreken. Hüsken en Adriaan van Dis mogen dan twee totaal verschillende werelden vertegenwoordigen, in elke zin die zij uitspreken klinken hun verlangens door, hun woede, hun worsteling, hun passie, hun streven, hun strijd. De interviewer van dienst luistert, lacht, fleemt, fluistert, vraagt,weerspreekt. En schaamt zich soms dood voor zijn brutaliteit. Of niet. Hij wil weten, hij wil ontraadselen. Hij is nieuwsgierig. Mooi woord, nieuws-gierig.

Een interview is humane chemie. Twee stoffen in een reageerbuisje: soms bruist het, soms valt het plat, soms is er een explosie. Hoe het afloopt, valt nauwelijks te voorspellen. Twee jaar geleden interviewde ik mijn bejaarde ouders over de koude oorlog van vier decennia die volgde op hun scheiding. Wilden zij werkelijk dood zonder nog één woord met elkaar te wisselen? Als interviewer kon ik vragen stellen die mijn zus en ik als kinderen niet aandurfden. De film, geregisseerd door de onvolprezen Gisèla Mallant, leidde tot de verzoening tussen mijn vader en moeder.

Interviewers zijn vaak biechtvaders die het gevoelsleven, de herinneringen, de opvattingen van de ander ontrafelen. Wij mogen dan niet bij machte zijn om absolutie te verlenen aan gesprekspartners die hun zonden opbiechten, in de praktijk scheelt het niet veel. Dikwijls gaat een geïnterviewde die zijn hart heeft uitgestort in meer dan één opzicht verlicht naar huis.

Huub Oosterhuis, niet voor niks een interviewende theoloog, heeft het portretterende vraaggesprek heilig verklaard. ‘Wij willen gezien en gekend worden’, zei hij eens, ‘Wij willen praten, bekennen, onthullen, ondervraagd en ernstig genomen worden. Wij zijn allen elkaars ongelijke gelijken, maar ook volstrekt uniek, en hebben iets heel anders te zeggen dan alle anderen. Zo kon het interview tot bloei komen. Als oefening in inleving, als instrument van zelfonthulling, als vorm van openbaring om het gezicht achter het masker vandaan te halen, om zoveel mogelijk te begrijpen.’

Waarom is het interview zo populair? Interviewen is het tegendeel van generaliseren; het is vermenselijken. De cynicus zal zeggen dat het een voyeuristische activiteit is. Je kunt het ook anders zien: we willen in de hoofden en harten van anderen kijken omdat we ten diepste beroerd, bezield willen worden. Als je een fraai tv-interview hebt gezien van Hanneke Groenteman, als je mijn collega’s Jellie Brouwer en Petra Possel hebt gehoord in Kunststof, als je een artikel hebt gelezen van Anttoinnette Scheulderman, Cicka Dresselhuys, Coen Verbraak of Pieter Webeling, schud je je vooroordelen van je af, doorgrond je de gedachten en sentimenten van de geportretteerde. Tegelijkertijd zien wij in die ander onszelf, ons eigen verdriet, onze eigen vreugdes. Dat is de ware magie.

De Vlaamse schrijver Tom Lanoye heeft het diepte-interview uitgeroepen tot literair genre. Merci, en leve onze emancipatie. Maar er viel ook wel wat te emanciperen, vrees ik. We zijn van heel ver gekomen. De ontwikkeling die het politieke interview heeft doorgemaakt, is illustratief. Kijkt u naar een flard van een interview met Wijlen minister-president Beel, eind jaren ’40.

FRAGMENT PREMIER BEEL: Premier komt vliegtuigtrap af en wordt gedienstig geïnterviewd. ‘Excellentie heeft u een goede reis gehad?’

Sinds Willem van den Berge zich onderaan die Indonesische vliegtuigtrap in het stof wierp voor premier Beel, is het crescendo gegaan met het interview. Autoriteitenvrees bestaat niet meer. We zijn zo confronterend dat de tegenpartij zich anno 2011 omringt met mediatrainers, mental coaches, pr-adviseurs, voorlichters en andere paardenfluisteraars. Ook de geïnterviewde heeft zich geëmancipeerd. Hij laat zich steeds minder makkelijk door media manipuleren en neem het hem eens kwalijk.

Binnen alle vrijheid die wij interviewers ons zijn gaan permitteren, hebben we onszelf een enkele keer beperkingen opgelegd. In de jaren tachtig zag menigeen het als een taboe om in gesprek te treden met Hans Janmaat van de Centrumpartij. Paul Scheffer vertelde me eens dat de redactie van een VPRO-programma waarvoor hij indertijd werkte hem verbood op bezoek te gaan bij ‘die rechts-extremist’. Als er tegenwoordig als sprake is van een boycot, blijkt het een tegenovergestelde: wij worden af en toe in de ban gedaan door politici. Tot ergernis van Pauw en Witteman mijdt Geert Wilders hun talkshow.

Het kan verkeren, maar grosso modo hebben interviewers progressie geboekt. Maximale mogelijkheden, dito exposeren. En wat maken we er bij vlagen hoogkwalitatief gebruik van.

FRAGMENT CASTRICUM/RUTTE: ‘En, geneukt?’

Tja, Rutger en Rutte ook inhuurbaar voor bruiloften en partijen.

Het zou goed zijn als interviewers niet alleen anderen de maat nemen, maar ook zichzelf lastige vragen durven te stellen. Morele vragen, ambachtelijke vragen.

-Hebben critici die zeggen dat interviews in toenemende mate worden misbruikt om snel kolommen en zendtijd te vullen volkomen ongelijk? Ze constateren dat we steeds minder echte reportages maken, te weinig aan tijd-, geld- en energievretende onthullingsjournalistiek.

– Is het interviews zelfs de korte, zakelijke variant wel een vorm van waarheidsvinding? Veel verhalen van geïnterviewden zijn geromantiseerd, onvolledig, eenzijdig, of platweg gelogen. ‘De leugen regeert’, zei koningin Beatrix. Haar vader liet tot in zijn laatste interview aan toe zien hoe je dat doet.

Wie sprak Boudewijn Büch trouwens tegen toen hij in vraaggesprekken zijn grootste fictiewerk schiep? Hoe vaak liegen criminelen ongestraft in interviews? Waarom kwam Balkenende voor onze microfoons zo lang weg met halve waarheden over Irak? Hoe kan het dat we dociel wielrenners blijven citeren over schoon bloed? En hoe was het mogelijk dat ik mij van alles liet wijsmaken door Ahold-topman Van der Hoeven, terwijl hij later vuilere handen bleek te hebben dan zijn garagehouder?

Zit hier by the way één journalist in de zaal die heeft meegemaakt dat zijn eigen hoofdredacteur in een interview louter eerlijke antwoorden gaf?

Kort en goed: waarom checken interviewers zo weinig, en zo slecht? Stel dat iemand die wordt ondervraagd in pakweg De Telegraaf jou zwart maakt. Zou je dan denken: top dat de interviewer niet de moeite heeft genomen mij te bellen, origineel dat hij geen wederhoor heeft toegepast?

Het wordt tijd voor bezinning op onze interviewmores, denk ik.

Kom op, laten we nóg wat vragen onder ogen zien.

– Waarom interviewen we steeds vaker Bekende Nederlanders, en nog eens, en nog eens (twintig vraaggesprekken met Kluun, eenentwintig met Herman Koch, afgelopen maand), en waarom en laten we een winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur in een Tilburgse boekwinkel voor twaalf lokale liefhebbers interviewen door een dilettant? Laten we ons niet teveel meeslepen door de commerciële overwegingen van uitgevers en de kijkcijferterreur?

– En deze: gaat het in portretterende interviews tegenwoordig nog wel om de samenhang tussen het werk en het persoonlijk leven van onze gesprekspartners? Of begint het privé-element de ideeën en inzichten zo sterk te overheersen dat we aan veredelde sleutelgatjournalistiek doen, dat we al te enthousiaste deelnemers worden aan een cultuur van emotionele incontinentie? Straks krijgt Albert Verlinde nog gelijk als hij zegt dat Nederland verRTLBoulevardiseert. Ik worstel daar al een tijd mee, en ik kom er niet uit. Wie wél? Wie van de aanwezigen zou het bijvoorbeeld aandurven om interviews uit kwaliteitskranten, glossies en pulpbladen kwalitatief van elkaar te onderscheiden zonder dat hij tevoren de titels te horen krijgt?

In een vraaggesprek lang, kort, confronterend, invoelend schildert de maker ongewild ook een portret van zichzelf. Jij laat je licht op iemand schijnen, jouw hand is altijd in het doek. De ene interviewer blijkt vol mededogen, de andere hanteert het breekijzer. De ene interviewer wil per se aantonen wat de alles verklarende factor in iemands leven is; de andere hoopt juist te laten zien hoe complex de ander is in het besef dat een mens uit één stuk niet bestaat. Et voila, de signatuur van de interviewer.

Ik moet bekennen: alleen al omdat een interview per definitie een zelfportret is, zou ik legio vraaggesprekken van mijn hand graag uit databanken verwijderen. Het is niet toevallig dat ik Wouter Bos heb gevraagd straks een lezing te houden over zijn ervaringen als veelvuldig geïnterviewde. ik vertrouw erop dat Bos mij maar wellicht ook anderen zal tuchtigen.

Een ding blijft een beetje lastig: dat dit interviewgala misschien geen zin heeft. We kunnen een avond praten over gesprekstechnieken, maar ze zijn naar mijn gevoel niet doorslaggevend. Een ervaren interviewer die over elke denkbare techniek beschikt (de botte bijl, een pincet, het watje met alcohol waarmee je voorzichtig iets loswrijft), maar die geen klik kan maken met mensen, komt op z’n best met een zes min thuis. De beginneling die elk gereedschap ontbeert, maar empathisch vermogen heeft, authentiek geïnteresseerd is, op zijn intuïtie vertrouwt en zo het vertrouwen van de ander wint, kan een negen scoren. De combinatie van empathie én maximale techniek is natuurlijk de tien met een griffel.

Schoenmaker Hüsken was een vakman. Maar ik ben ervan overtuigd dat hij zich vooral onderscheidde door de liefde waarmee hij zijn vak uitoefende, en de wijze waarop hij zijn klanten behandelde. En als je leest met hoeveel invoelingsvermogen Steffie Kouters Dis interviewde, begrijp je dat hij uiteindelijk bereid bleek zich bloot te geven. Het was alsof hij zich uitleverde dan een chirurg die letterlijk en figuurlijk zuiver sneed om zijn pijnpunten bloot te leggen.

Tijdens de voorbereiding van dit gala dacht ik: als sommige politici, en andere BN’ers die een hekel hebben aan kritische journalisten, zouden besluiten om een Afghaans executiepeloton in te huren dat huishoudt in de Stadsschouwburg, zijn ze in één klap verlost van het hele Nederlandse interviewers-establishment alsmede talloze jonge talenten. Maar zelfs dan, zelfs dan zullen vragen blijven opklinken. Want nieuwsgierigheid is van alle tijden en plaatsen, nieuwsgierigheid is een menselijk survival instrument. Wij vragen ons het leven door. Ja, paradoxaal genoeg zijn het niet de antwoorden maar de vragen die ons staande houden. Ik denk dat de laatste mens op aarde zal sterven met die ene exclamatie van Ischa op zijn lippen. We kennen ’m allemaal, het is onze levensbron.

WHYI?”


Advertisements
This entry was posted in Interviewen and tagged , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s